Hoe teken je fotorealistisch?
Je zou denken: ‘ Hoe groter het formaat, hoe meer realistisch.’ Hoe meer kans dat het net een foto lijkt.
Logisch. Hoe groter je tekent, hoe meer je kwijt kunt. Maar, hoewel formaat een punt is, ga ik dat toch tackelen. Licht, belichting, is wat een tekening levensecht maakt. En dat licht is in dit geval het wit van het papier.
Ik ga ik je 3 verschillen laten zien tussen ‘gewoon’ tekenen en fotorealisme.
Kort overzicht van de onderwerpen:
- Punt 1 Hoe je een tekening bekijkt
- Punt 2 Materiaal
- Punt 3 Dat waar fotorealisme mee valt of staat

Hoe je een tekening bekijkt
Meestal ben je vooral bezig met het eindresultaat. En dat is voor alle tekeningen die je maakt een onnodige berg. Het eindresultaat komt pas nadat je vele kleine stukjes resultaat voor elkaar hebt. Al dan niet met de nodige problemen die je oploste.
Nou, met fotorealisme heb je dat in de overtreffende trap. Je kunt, zeker als je op een groot formaat gaat tekenen, niet meer het geheel tegelijk overzien of er aan werken.
Dat zie je ook vaak op YouTube, hoe fotorealisten uren op een klein vlakje aan details kunnen werken.

Waar begin je dan mee?
Met de ogen. En dan gelijk zoveel mogelijk uitwerken. Zo krijg je dan ook een goed idee waar de rest van de schaduwen naar toe moeten ( de toonwaarden) en nog een voordeel: zijn de ogen niet goed, gaat er tenminste niet uren werk in de prullenbak.
Hoe teken je de verhoudingen op grotere formaten?
Ja, dat is een puntje natuurlijk. Groot betekent dan ook weer: onoverzichtelijk. Krijg de verhoudingen maar eens goed op een vierkante meter papier.
Omdat je nu 2 dingen tegelijk gaat doen: 1) je zoekt naar de gelijkenis in het gezicht en 2) ga je die ook nog eens vergroten.
Omdat ik er niks voor voel om uitgebreid met gum tekeer te gaan op mooi tekenpapier maak ik schetsen op vellen papier van 50 x 70 cm. Net zolang tot het goed is. (Ik weet ook dat ik gaandeweg nog wel wat puntjes zal aanpassen. Dus voor mij hoeft zo’n allereerste schets ook niet perfect te zijn.) Kijk, en mocht de schets niet ineens lukken, maakt nu niet uit. Goedkoop papier dus ik kan gummen tot ik een ons weeg.

En dan, de lightpad.
Leg dat onder de schets, tekenpapier er boven en je bent er. Je kunt ook aan de slag met een raster maar als je dat op een groot formaat doet vraagt dat wel om nauwkeurigheid. Als je veel vakjes hebt kom je bij even niet opletten al makkelijk in de verkeerde rij terecht. Ben je uren aan het tekenen om te ontdekken dat de mond te laag zit, of de neus teveel naar rechts.
Ik schrijf uit ervaring….. vandaar voor mij alleen schetsen.
Materiaal
Wat dacht je van kwasten, watten en tissue. Ja, allemaal ‘hulpjes’ die je vaak al in huis hebt en die ieder hun eigen effecten hebben op het papier.

O.k. soms lijkt het uitwrijven van grafiet een prachtige en snellere oplossing maar als met alles: makkelijk en snel zijn nu eenmaal geen vrienden van nauwkeurig en goed.
Dat betekent: tekenen in lagen. Waar mee je die super realistische verlopen van licht naar donker krijgt. Net een foto. En dat is nou ook precies:
Waar fotorealisme mee valt of staat
Wat bij realistisch tekenen al zo is telt nog meer bij fotorealisme. Met gewone grafietpotloden is donkergrijs het best haalbare. Als je niet met je volle gewicht op je potlood gaat hangen dan. Maar ja, dat heeft weer als nadeel, niet alleen dat je potlood knakt als een luciferstokje maar vooral: je kunt niet in lagen tekenen en dat is nou juist wat fotorealisme maakt.
Het antwoord waar fotorealisme mee valt of staat is dan ook hoe je kunt ‘vervagen.’ Nou ja, in het Engels klinkt het beter: ‘shading’ O.k. als je het vertaalt: ‘En wat ben jij aan het doen?’ ‘Nou, ik ben aan het verschaduwen…’ Zeg maar niks meer
Waar ga je op letten als je gaat vervagen of doezelen
- Het wit van het papier
- contrast
- patronen
Wit van het papier
Licht maakt leven ook op papier. Dat zie je vooral terug in reflecties als bij de ogen.
Zie het verschil….
Wanneer je fotorealistisch gaat tekenen is het belangrijk dat je weet hoe het wit van het papier een rol blijft spelen. Dat doe je door de opbouw van het portret te tekenen in lagen. Waarbij de technieken die je gebruikt ervoor zorgen dat het wit tot in de bovenste laag zichtbaar blijft.
Contrast
Met het wit van het papier maak je reflectie. Licht dus. En dat brengt ‘leven’ in je tekening. Hoe groter, hoe realistischer. Dat is ook verraderlijk, meer details kan ook meer chaos worden
Ons oog is gevoeliger voor contrast dan voor kleur. Meer contrast is meer fotorealisme. Het tekenen van verlopen tussen licht en donker maakt of breekt of een tekening realistisch overkomt.
Patronen
Met patronen creëer illusie. En bespaart je veel werk, je maakt zo een tekening automatisch af. Onbewust. Als je huid goed bekijkt bestaat dat uit grijstinten en een hoop witte en lichte plekjes. Dat is het.
Maar wanneer je die lichte plekken beter gaat bekijken zie je dat die niet altijd random verspreid zijn. Er zit een patroon in. Die meegaat met de vorm van de huid.
Hoe ziet dat er dan uit in de praktijk?
Dat kan ik je het best laat zien met dit voorbeeld:

Conclusie
Fotorealistisch tekenen begint met de keus van het materiaal. Het soort papier maar ook wat je aan kwasten en doezelmethoden kent. Formaat speelt wel een rol, want ja, hoe groter, hoe meer gedetailleerd je kunt tekenen. Maar voor een foto uitstraling op zich maakt het formaat niet echt uit. Wat je aan het voorbeeld hieronder ziet. Dit hoofd is amper 16 cm groot.


Dan blijft nog over? Wie van de 3?
Welke van deze is nu de tekening en welke de foto? Nou ja, eentje knalt er natuurlijk uit, die uit 2012, lijkt nog zelfs niet op een echt oog. Maar waar het om gaat: je ziet wat tekentechniek doet. Nummer 3 is de tekening.



Succes met tekenen vandaag en groeten,

Geef een reactie